Deze petitie neemt geen standpunt in over de kwestie of doctoraatstudenten een belastbaar of een belastingsvrij loon zouden moeten ontvangen. We pleiten in eerste instantie voor een gelijkschakeling van de netto-lonen. Idealiter zou elke doctoraatstudent zelf moeten kunnen kiezen, afhankelijk van de concrete situatie, of het loon wordt betaald in de vorm van een belastingsvrije beurs of in de vorm van een belastbare wedde. De nodige informatie over fiscaliteit, pensioenberekening, premievoorwaarden, enzovoort, zou dan natuurlijk wel gegeven moeten worden vooraleer die keuze kan gemaakt worden. In elk geval pleiten we er in deze petitie niet voor om alle doctoraatstudenten een belastbaar loon te geven, noch om alle doctoraatstudenten een belastingsvrij loon te geven. Deze petitie pleit enkel voor een gelijk netto-loon en een eenheidsstatuut, dat bijvoorbeeld de keuze aan de doctoraatstudent zou kunnen laten.
Die stelling gaat er van uit dat het budget voor Wetenschap en Innovatie gelijk moet blijven, en dat het aantal doctoraatstudenten, vermenigvuldigd met hun gemiddeld loon, dus niet mag stijgen. Aangezien Wetenschap en Innovatie belangrijke prioriteiten zijn voor de huidige Vlaamse regering (terecht!), lijkt die veronderstelling ongegrond. Er is geen reden om niet te pleiten voor een verhoging van het budget, waardoor én meer doctoraatstudenten én hogere lonen mogelijk zijn.
Een verlaging van de betere lonen is uiteraard een volstrekt onaanvaardbare oplossing voor de loondiscriminatie. Daarom pleit deze petitie uitdrukkelijk voor een harmonisatie naar boven. In vergelijking met de lonen in de privé-sector zijn zelfs de betere statuten eerder slecht betaald (in de meeste onderzoeksdomeinen).
In 2006 bedroegen de werkingsmiddelen van het IWT 261.6 miljoen euro, waarvan 21.9 miljoen euro (8.4%) voor specialisatiebeurzen gebruikt werd. Als het al onmogelijk zou zijn om het totale budget van het IWT genoeg te verhogen, dan kan het IWT nog steeds beslissen om haar budget anders te besteden. In 2006 gaf het IWT bijvoorbeeld 83 miljoen euro (31.7%) aan bedrijfsprojecten (waarvan 68% naar grote ondernemingen). Een fractie daarvan zou ruimschoots volstaan om de specialisatiebeurzen op FWO-niveau te tillen.
Onderzoeksgroepen zijn meer en meer gedwongen om externe financiering (zoals bij het IWT) te zoeken. Daarom vragen ze vaak aan beginnende doctoraatstudenten om een IWT-beurs aan te vragen. Als ze de IWT-beurs niet krijgen, worden ze op sommige plaatsen ontslagen; op andere plaatsen mogen ze blijven werken in een ander statuut, dat ironisch genoeg doorgaans een hoger loon heeft dan de IWT-beurs waarvoor ze niet in aanmerking kwamen. Zelfs al zouden alle kandidaten volledig uit vrije wil een aanvraag indienen, dan nog zou het aantal kandidaten voor de IWT-beurs absoluut geen geldig excuus zijn voor de loondiscriminatie. Er zijn wellicht ook genoeg kandidaten te vinden voor werk onder het minimumloon (anders zou het nogal overbodig zijn om een minimumloon in te voeren) of onder de sectoriële loonnorm, maar het is hopelijk duidelijk dat daarom het minimumloon of sectoriële verworvendheden nog niet moet worden afgeschaft!
In de praktijk is er in veel onderzoeksgroepen geen fundamenteel onderscheid tussen de onderzoekstopics van de verschillende soorten doctoraatstudenten. Het meten van de kwaliteit van onderzoek is erg moeilijk, maar het lijkt een bijzonder twijfelachtige stelling dat een (elke) FWO aspirant beter onderzoek zou verrichten dan een (elke) IWT-bursaal. Volgens een synthesenota van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid uit 2003 zou de gemiddelde slaagkans van zogenaamde “junioronderzoekers” om tot een doctoraat te komen rond de 34% liggen. Voor FWO aspiranten lag die gemiddelde slaagkans een stuk hoger, op 77.5%. Voor IWT-bursalen kwam men op 76.7%.
De selectiecriteria voor FWO en IWT beurzen zijn erg verschillend maar er is geen reden om er van uit te gaan dat de ene beter is dan de andere. Het FWO baseert zich grotendeels op de graden behaald tijdens de opleiding, terwijl het IWT een uitgebreid aanvraagdossier met mondelinge verdediging eist.Uit een recent verslag van het IWT, in verband met de toegekende 2de termijnaanvragen, zou je kunnen concluderen dat graden zeker geen garantie vormen voor onderzoeksprestaties:
“Bursalen die in het laatste jaar GO behaalden, maken met meer dan 63% de belangrijkste groep van de 2de termijnaanvragers uit. Uit Tabel 4 blijkt dat ook vooral deze groep het grootste verlies incasseert, zowel in absolute als relatieve cijfers. In tegenstelling tot de vorige twee jaren, presteren ook 2 kandidaten met GSO niet voldoende goed om een beursverlenging te verzekeren.”
De kwestie is trouwens niet welke groep het werk beter doet, de kwestie is dat het werk dat van een doctoraatstudent verwacht wordt, ongeacht het statuut, hetzelfde is. Van alle doctoraatstudenten wordt verwacht dat ze 38 uur per week aan onderzoek werken dat leidt tot hun doctoraat, met uitzondering van in principe maximum 4 uur per week die besteed worden aan didactische en/of administratieve taken. Het werk dat verwacht wordt is gelijk: een doctoraatjury is niet milder voor IWT'ers dan voor FWO'ers, en van een FWO'er wordt niet verwacht dat die oefenzittingen op een betere of arbeidsintensievere manier verzorgt dan een IWT'er.
Deze bench-fee dient voor het vergoeden van onkosten zoals reiskosten en gebruikte infrastructuur. Dergelijke onkosten kunnen ook in andere statuten worden terugbetaald, dus in de praktijk is dit geen bijkomend voordeel voor IWT-bursalen. In elk geval kan de doctoraatstudent zelf niet beschikken over die bench-fee; het geld wordt gestort op de rekening van de universiteit en kan enkel gebruikt worden om bewezen onderzoeksgerelateerde onkosten terug te betalen. Dit vormt dus absoluut geen onderdeel van het loon en kan niet gebruikt worden om loonsverschillen te overbruggen. Sinds kort stelt het FWO trouwens ook een bench-fee ter beschikking (ongeveer gelijk aan die van het IWT).